Atlasvoorbeelden
FLORON werkt aan een publicatie met verspreidingskaarten van alle Nederlandse wilde planten. Op deze pagina wordt af en toe nieuwe informatie gepubliceerd, om een indruk te geven van de soorten die we in de atlas zullen laten zien.

Armeria maritima - Engels gras
Engels gras is van nature te vinden op brakke tot zilte, en vochtige maar niet te natte bodem. In het kustgebied is de soort vrij algemeen. Langs de voormalige Zuiderzee is de soort op de meeste plaatsen verdwenen. Tegenover deze afname staat een toename in de bermen van auto(snel)wegen. Engels gras profiteert hier van het pekelen in de wintermaanden. Een buitenbeentje is het voorkomen langs de Geul in Zuid-Limburg. Hier komt Engels gras voor op zinkhoudende bodem.

Berberis aquifolium - Mahonie
Mahonie is een populaire struik van tuinen en plantsoenen. Al vóór 1950 werd de eerste verwildering geconstateerd. Na 1950, en vooral na 1975, is de soort op een toenemend aantal plaatsen aangetroffen. Verwilderde exemplaren zijn te vinden op allerlei overhoekjes, maar ook in de ondergroei van naaldbossen in de buurt van bebouwing.

Blechnum spicant- Dubbelloof
Dubbelloof is bij uitstek een soort van steile, vochtige en beschaduwde greppelkanten in de hogere delen van het iand. Een vergelijking tussen de eerste en de tweede atlas-periode (vóór en na 1950) geeft een achteruitgang te zien. De achteruitgang lijkt na 1975 tot staan gekomen te zijn.

Buddleja davidii - Vlinderstruik
Vlinderstruik is een populaire struik in tuinen en plantsoenen, die gemakkelijk verwilderd op plaatsen met een steenachtige bodem. Op de kaart ontbreken waarnemingen uit de Atlasperiode (vóór 1975), maar het is onwaarschijnlijk dat de verwildering niet al-veel eerder op gang gekomen is. Mogelijk kan de kaart op dit punt nog aangevuld worden.

Cochlearia danica - Deens lepelblad
Deens lepelblad komt van oorsprong alleen op brakke en zilte plaatsen in het kustgebied voor. De laatste tientallen jaren heeft de soort zich massaal gevestigd in de gepekelde randen langs snelwegen. Deze ontwikkeling is al vóór 1980 op gang gekomen met vondsten in Utrecht en in de Gelderse vallei.

Cuscuta europaea - Groot warkruid
Groot warkruid is bijna strikt gebonden aan het rivierengebied, inclusief de Dinkel en de Overijsselse Vecht. De soort komt hier voor in ruigten met o.a. Grote brandnetel en Hop. Opvallend is de uitbreiding langs het Hollands Diep. Kennelijk zijn de omstandigheden voor de soort daar pas na de afsluiting van het Haringvliet (1972) gunstig geworden.

Dianthus deltoides - Steenanjer
Steenanjer komt van nature voor op schrale, maar niet te zure zandgrond. De vroegere waarnemingen consenteerden zich vooral in delen van Overijssel (Dinkel, Overijsselse Vecht, kanaal Almelo-Nordhorn, Oost-Groningen en delen van de duinen. Elders komt de soort verspreid voor. Vooral bij de verspreide waarnemingen kan het gaan om uitgezaaide exemplaren; dit is niet altijd consequent genoteerd.

Milium effusum - Bosgierstgras
Bosgierstgras komt voor in lichte loofbossen op vochtige, matig voedselrijke bodem, vaak landgoederen. Ondanks een aanzienlijke uitbreiding van het bosareaal in de 20e eeuw zien we in deze periode geen toename in het voorkomen van Bosgierstgras.

Platanthera bifolia - Welriekende nachtorchis
Welriekende nachtorchis komt voor in natte schraallanden, in vochtige duinvalleien en in Zuid-Limburg. Vooral in de eerste helft van de vorige eeuw is er een aanzienlijke achteruitgang geweest. Deze achteruitgang heeft zich tussen 1950 en 1975 voorgezet.

Tephroseris palustris - Moerasandijvie
Moerasandijvie komt voor op natte, slikkige en zeer voedselrijke grond. De soort kon optimaal profiteren van het droogvallen van de polders in het IJsselmeergebied. Hier was Moerasandijvie jarenlang massaal aanwezig. Vandaar uit verspreidde de soort zich met zijn vruchtpluizen uit over de wijde omgeving. Inmiddels is Moerasandijvie weer op zijn retour. Veel van de vondsten in het binnenland hebben waarschijnlijk betrekking op éénmalige vondsten. Ook in Flevoland komt de soort niet meer algemeen voor.